woensdag 28 januari 2009

Vrouwe van het woud

Terwijl ik de afgelopen weken de laatste lege kamer boven aan het verven was, kwamen er beelden uit een heel ver verleden en moest ik soms kleuren opnieuw mengen om de goede kleur te krijgen.
Wit gemengd met diep donkerbruin gaf een zandkleur op een lange wand.
Wit met rozerood een te heftig roze, wat van het “zandmengsel” erdoor een warm geelroze, bijna toscaans.
Een andere lange kurken wand bracht het buiten gevoel naar binnen, geuren van hout en mos.
Een oud houten bed, vergeten op zolder, kreeg hier een nieuwe bestemming.
Een beetje hard, maar met een veilige geborgenheid.
Voor het raam een paar lange dieprode velours gordijnen, die beschermen tegen de kou, die door de kieren komt.
Op twee houten planken aan de wand dozen en mandjes, met kruiden en zaden, in de afgelopen zomer verzameld, wachten tot het opnieuw gezaaid of gebruikt zal worden in aftreksels, zalfjes of dranken.
Een rijtje koperen schalen stilzwijgend tot ze hun zuivere helende klanken mogen laten horen,
Hoewel als je goed luistert, hoor je zelfs nu…
Kaarsen in koperen kandelaars werpen hun flakkerende licht op de donkere kat, die zich hier ook zo thuis voelt.
En op het veelkleurige wandkleed, de gobelin, met bloemen en bladeren aan de koperen roede.
In de hoek van de kamer een spin, die onverstoorbaar haar web aan het weven is.
Het aspect van de wijze vrouw, die haar verbindingen legt naar alle werelden.
Niet zichtbaar voor mensenogen, maar wel aanwezig, de zilverwitte wolf, mijn totemdier, mijn leraar.
Van hieruit mijn verhaal…. Wat was het bos 's nachts toch mooi, dacht ze, terwijl ze zorgvuldig een voor een de geplukte kruiden in haar mand schikte.
De bijna volle maan gaf meer dan genoeg licht om ook in het donker van het bos en veld de planten te herkennen.
Met een klein scherp mes, sneed ze voorzichtig zoveel af, als ze nodig had, met eerbied naar de plant toe, terwijl ze bij elk kruid zachtjes de naam uitsprak.
Ze had het allemaal geleerd van haar grootmoeder, die haar grootgebracht had.
Stel je hart open, kind, en de plant vertelt het je allemaal.
Dat het ene kruid maakt dat wonden sneller genazen, weer een ander dat koorts verdween, vrouwen soepel hun kinderen baarden of zomaar kruiden, die maakten dat het eten beter smaakte.
En heel af en toe wist iemand ook het diep in het dichte bos gelegen plaggenhutje te vinden voor een kruid om een geliefde aan zich te binden.
Dan glimlachte de grootmoeder achteraf, want dat kruid groeide niet in het bos, maar in de harten van mensen.
Ook mocht het meisje soms ’s nachts mee met de oude vrouw, als er hulp in werd geroepen bij een moeilijke geboorte.
Eerst om bij te schijnen met een waspit in de vaak onverlichte kraamkamer, later om het zwaardere werk te doen toen de grootmoeder steeds ouder werd.
De betaling kwam vaak in de vorm van graan voor brood en pap, reuzel of soms zelfs een stuk kaas in neteldoek.
Van de meesten, de arme mensen alleen wat aardappels, kool of uien, zij hadden ook niets meer weg te geven.
En soms droegen ze alleen de zwaarte van de nacht mee naar huis, als er een kind doodgeboren was en de kilte van de dood ook de moeder had geraakt.
De oude vrouw met haar gedachten bij een zelfde nacht, haar kind, haar dochter en de komst van het lieve wezen, nu bij haar.
Bij de gebeurtenissen in haar leven, waardoor ze zich nu teruggetrokken had, verscholen bijna, ver in het diepe woud.
Het kind,ook zwijgend door het onbekende, vol vragen in haar hoofd, waar de antwoorden nog op moesten komen....
En ze zou ook geen antwoord krijgen op haar al haar vragen, want op een koude winterochtend vond ze de oude vrouw.
In haar slaap was ze vertrokken naar het Morgenland.
Ze bleef niet lang alleen, want terwijl de wind poedersneeuw door de kieren van haar hutje blies, liep op een avond een witte schim aarzelend rond de doornhaag, die de afscheiding van het hutje vormde.
Zachtjes klonk een gehuil.
Vanuit de geopende deur zag ze een witte hond, nee een wolf staan.
Niet bang voor welk dier dan ook, sloeg ze haar omslagdoek om en liep naar het dier toe.
In de verse sneeuw waren donkere sporen van bloed en een voorpoot zag er lelijk toegetakeld uit.
Alsof het dier wist dat het hier veilig en verzorgd zou zijn, hinkte het met haar mee het hutje in, net zo goed, als zij wist dat het dier haar geen kwaad zou doen.
Al gauw was de kapotte poot omwikkeld met een doek vol helende kruiden en had ze haar avondpap met de wolf gedeeld.
Vanaf de dag, dat de poot weer helemaal geheeld was, week de witte wolf niet meer van haar zijde.
Alleen als ze soms het dorp in moest, dan bleef hij aan de bosrand verscholen, wachtend tot ze weer terugkwam.
Waakzaam op elk mogelijk gevaar.
Zo groeide het meisje op tot jonge vrouw, haar kunde sprak zich rond, van dorp naar dorp, van stad naar stad.
Zij bleef zichzelf, in alle eenvoud,gelukkig in haar huisje diep in het bos..... Er waren veranderingen bezig, ze merkte het als ze haar wandelingen naar het dorp maakte.
Mensen waren vriendelijk naar haar, maar anders, schichtig, bijna bang.
Als ze een bestelling voor een kruidenpleister of een drankje moest brengen, vroegen de mensen haar ’s avonds in het donker te komen.
Men waarschuwde haar voorzichtig te zijn, niet te openlijk rond te gaan met haar kruidenmand, want ze was zo vrij, zo naíef, dit kind van de natuur.
De tijden veranderden, ze hoorde over een afgezant van de kerkvorst, die met zijn gevolg te paard op inspectie kwam.
Dat het houden van kruidentuinen alleen was toegestaan aan kloosters, dat er zware straffen stonden op het ongeoorloofd uitoefenen van heelmeesterkunsten.
Ze heeft hem ontmoet, de gezant, een man met lichte kille ogen.
Haar intuïtie doorzag zijn dubbele moraal.
Terwijl hij daags misprijzend langs haar reed op zijn grijs bonkig paard, sloop hij 's nachts om haar hut.
Alleen het dreigende grommen van de wolf was haar bescherming in die nachten, wist ze.
De seizoenen verstreken en er kwamen steeds meer geruchten
Kruidenkunst, door vrouwen beoefend werd beschouwd als magie.
Op iedereen, die hiermee in verband gebracht kon worden, was de jacht geopend.
Veel vrouwen, onschuldige vrouwen alleen, die verdacht van hekserij, werden gevangen gezet en vonden later hun einde op de brandstapel.
Ze sprak in stilte haar zorg uit tegenover haar kat en de witte wolf, die hoewel hij nu ook lag te slapen onder het mosdek, haar nooit echt verlaten had.
Voor mensenoog onzichtbaar ging zijn witte gestalte nog steeds naast haar, altijd even waakzaam...... En dan op een mooie midzomerdag,toen het goudblond graan werd gekust door klaprozen en korenbloemen en zij met haar hengselmand vol kruiden aan haar arm door het veld ging, werd ze omsingeld door mannen in het zwart.
Zonder woorden werden haar handen geboeid met snijdende koorden en werd ze ruw meegevoerd.
Haar kruidenmand bleef vertrapt achter op het zandpad tussen het koren.
Door de veld gingen ze, door het dorp,naar de stad waar overal de mensen uitliepen, verbijsterd.
Ze wisten en ze hadden haar zo lief.
Ze werd, toen de avond viel, in een donkere kerker in de donjon, de burchttoren nabij het klooster opgesloten.
Een enkele lichtstraal kierde tussen een spleet in de deur door.
In het ijle licht weefde een spin geduldig haar web van
zilveren draden
Gelukkig, ze was niet alleen, al was het slechts de aanwezigheid van dat kleine diertje.
Een eeuwigheid later bracht een man haar zwijgend water en brood.
Het harde half verschimmelde brood liet ze liggen, maar de kom water dronk ze gulzig half leeg.
Dan legde ze haar uitgeputte lijf neer op de harde lemen vloer en viel in een diepe zware slaap, die geen rust bracht.... De tijd had stilgestaan voor haar, toen ze op een dag naar buiten gebracht, haar ogen moest sluiten voor het scherpe daglicht.
Ondanks de pijn in haar gebroken lichaam, ademde ze diep de frisse buitenlucht in, koesterde ze dit moment met de zingende vogels rondom haar.
De afgelopen dagen was ze gemerkt met gloeiende ijzers, gemarteld en tot het diepst vernederd door ruwe onverschillige kerels.
En nu werd ze naar een grote zaal binnen de kloostermuren gesleept, waar mannen in grijze en zwarte pijen haar ondervroegen.
Ze kon geen antwoord geven.
Zij, niet grootgebracht in hun wereld, kende alleen de goedheid van moeder aarde, de koele zachtheid van de maan, de voedende warmte van de zon, waardoor alles wat ze nodig had, groeide.
Dieren kwamen vol vertrouwen naar haar toe.
Ze sprak de taal van de vogels en bloemen,de taal van het hart.
Maar dat mocht niet gelden in de ogen van haar medogenloze rechters.
Zij kenden alleen de woorden door mannen in oude boeken geschreven, zij waren de Mens in hunzelf verloren.
Wanneer tijdens de zitting ineens de afgezant verscheen, leek haar lot beslist.
In zijn ogen stond niets dan haat te lezen.
Deze man,in een zo hoge wereldlijke en kerkelijke positie, in een wereld, waar het patriarchale steeds meer terrein won.
Waren het de starre dogma's waaraan hij zich vasthield, zijn sadistische machtswellust of de emoties, waarin hij zijn gevoelens voor deze vrouw krampachtig onderdrukte?
Zelfs in deze erbarmelijke staat,bebloed en bijna gebroken, straalde ze nog steeds zo'n liefdevolle kracht uit, alsof ze in het licht stond.
En zijn duistere kant heeft dat licht in haar niet begrepen.
Bij de man heerste slechts een gedachte: bezitten of vernietigen.
Er was buiten de poorten echter iets gaande.
Voor het hek van het klooster was de weg bezaaid met bloemen. Er kwamen er steeds meer bij.
Mensen plukten ze in het veld, blauwe, roze, witte, rode ,gele,lila bloemen en brachten ze daar , kinderen kwamen langs en zongen haar naam.
De mannen binnen keken elkaar aan, zwegen,wisten niet, wat te doen..... Ze hebben het niet gedurfd, haar publiekelijk te verbranden als heks.
Bang voor de woede van het volk, bang misschien ook voor de kracht en zuiverheid, die in haar hele wezen lag.
Maar nog groter was hun angst voor de hoge kerkprelaat in zijn verre paleis.
Ze hebben haar weer in de kelder opgesloten.
Een nacht, twee,een week, een maand, ik weet niet meer hoelang.
Op een morgen, toen de dauw nog op de velden lag en het eerste rood en goud de bomen kleurde, naderde een groep mannen de kleine kerker.
Een mompelde vroom gebeden.
Twee torsten steunend een zware emmer tussen zich in.
De anderen zwegen.
Zij werd met banden aan muur geketend, terwijl de deur uit de haken werd gelicht.
Langzaam begonnen de twee mannen stenen te stapelen in de deuropening,te metselen met het metselkalk uit de emmer, te stapelen, steen voor steen.
Haar ogen, groot van angst, haar keel als dichtgeknepen.
Maar dan het loslaten, het vergeven, zij wisten immers niet wat ze deden.
Zij voerden alleen maar de opdrachten uit.
Hun hart was immers al jaren in steen gesloten.
De opening, waar nog licht doorkwam, werd steeds kleiner, tot er alleen nog duisternis was.
Ze heeft niet gehoord, dat de mannen wegliepen, de emmer rammelend , de vrome man nog steeds gebeden prevelend.
Voor hun eigen zielenheil?
Zij voelde ineens bij haar knie een zachte kop,wist het meer dan dat ze het zag.
Haar witte wolf was weer bij haar.
De laatste angst ging over in een onmetelijk geluksgevoel, dat bleef tot het einde. Een verhaal gaat rond in deze tijd, dat ze nu nog steeds samen door het woud gaan, als de maan vol is en de kruiden klaar zijn om te oogsten.

Einde of.....:)) Epiloog

Waarom een innerlijke reis maken naar een zo pijnlijk en zwaar verleden?
Dit verhaal is een bijna logisch gevolg op het log, dat ik in mei schreef over mijn grootste angst, claustrofobie, de paniek voor het opgesloten zijn.
Door kleine aanwijzingen dit afgelopen half jaar, ontmoetingen, inzichten, de restyling van een kamer , gaven me de drive, de moed voor deze zoektocht, heel diep in mij .
Daar heb ik de kern gevonden en daarmee ook zieledeel van mezelf, dat beschadigd was, geheeld naar het heden gebracht.
Het was zo bijzonder, dat op die queeste, zoveel vrouwen hier hun eigen herkenning in vonden, alsof veel van ons dat/zo’n verleden delen, ieder op een ander niveau of in een andere tijd.
Ik had zo graag haar dit tragische lot willen besparen, dingen willen veranderen, had haar nog meer willen waarschuwen voorzichtig te zijn, maar weet je, het was haar keuze.
Toen ze moest kiezen tussen angst en liefde, koos ze Liefde, zelfs op het allerlaatst.
Het alternatief was geweest, zichzelf ontkennen en dat, waarvoor ze stond.
Zich te onderwerpen aan datgene, wat voor haar niet goed voelde en lijnrecht stond op diegene, die ze was.
En ze heeft daardoor misschien gezorgd voor veranderingen, ze heeft zeker het leven beïnvloed van velen, die haar ontmoet hebben.
Ze heeft sommige mensen om haar heen de moed gegeven om zelf te gaan denken.
Dat dat het belangrijkste is, het mogen zijn, wie je bent, wie je hoort te zijn met jouw levensopdracht
Zo bijzonder dat de onbewuste herinneringen aan dat leven, mijn leven nu zo beinvloed hebben.
Dat ik daarom ook terug moest
Ik zei al, dat ik haar lot niet kon veranderen, ivm met het beschadigen van de tijd, de loop van de geschiedenis en maar vooral haar karmische opdracht.
Wat ik wel kon, op het eind, dicht bij haar zijn met mijn warmte en liefde, en diegene bij haar brengen, die ze het meeste nodig had: haar witte wolf, mijn witte wolf:))

3 opmerkingen:

klaproos zei

ik kom terug om te lezen assaya st aop het punt om te vertrekken naar vriendje lutje, en zit aan mijn koffie, maar ik kom terug....

maak jij er een heerlijke dag van
xxx

wim22 zei

Ik heb even de tijd genomen om dit aangrijpende (en boeiend geschreven) verhaal te lezen.
Onbegrip van het onbekende, uit zich vaak als angst en haat.
Wat wij denken te weten en te zien is slechts zo een klein stukje van de werkelijkheid.

Dit 'verhaal' laat een diepe indruk op me na.

Heksenbezem zei

mooi Anneke en dapper dat je het hebt willen plaatsen.

LinkWithin

Related Posts with Thumbnails